AMSTERDAM - De netten rond de bomen van het Carel Willinkplantsoen laten een ongemakkelijk beeld zien. Vogels raken verstrikt, de dierenambulance rukt dagelijks uit en buurtbewoners kijken verbijsterd toe. Alleen Judith Krom van de Partij voor de Dieren stelde in de gemeenteraad de vraag wie het nog opneemt voor deze dieren. Alsof een prestigieuze beeldentuin van 60 miljoen euro zwaarder weegt dan een paar maanden wachten op het einde van het broedseizoen.

Juist dat schuurt. Het Rijksmuseum spreekt over biodiversiteit en respect voor natuur, maar plakt tegelijk vogelkastjes dicht en jaagt vogels weg met netten en nep-kraaien. Veel Amsterdammers herkennen daarin dezelfde houding die jaren geleden zichtbaar werd bij de plannen om fietsers uit de Museumpassage te weren. Ook toen leek het museum vooral vanuit het eigen belang naar de openbare ruimte te kijken. Die plannen gingen uiteindelijk niet door, mede dankzij fel protest uit de stad. De vogels verdienen hetzelfde protest.

Natuurlijk mag het Rijksmuseum investeren in kunst. Maar waarom moest dit per se nú? Waarom niet simpelweg twee maanden wachten tot het broedseizoen voorbij is? Dat zou rustiger, diervriendelijker en zorgvuldiger zijn geweest.

Van wethouder Zita Pels, ooit GroenLinks, zou je juist een steviger groen geluid verwachten. Zeker nu zelfs de gemeente erkent dat vertraging bij vergunningen heeft bijgedragen aan deze situatie.

Een stad laat zich niet alleen kennen door grote culturele projecten, maar ook door hoe zij omgaat met kwetsbaar leven dat geen stem heeft. Wie neemt het nog op voor de vogels?