AMSTERDAM - Udo Reijnders is forensisch arts in dienst van de GGD. Daarnaast is hij hoogleraar forensische geneeskunde aan de UVA/AMC. Dagelijks heeft hij te maken met dood, geweld en mishandeling. Om depressief van te worden. Maar niet Reijnders: “Er moet nog verschrikkelijk veel gebeuren in dit vak.” Alles in de strijd tegen onrecht.

“Toen ik 25 jaar geleden als forensisch arts begon, dachten mensen dat ik met de trein van A naar B reisde om patiënten een consult aan te smeren”, vertelt Reijnders. Na een kwart eeuw staat het vak steviger op de kaart, mede dankzij zijn inspanningen. “Ik wilde altijd chirurg worden óf undercover agent. Ik koos voor de geneeskunde, schreef een proefschrift over een chirurgisch onderwerp en werkte als spoedeisende hulparts. Daar kwam ik mijn voormalige afdelingshoofd tegen. Hij zei: ‘Ik heb een gek vak en volgens mij is het wel wat voor jou.’ In Engeland noemen ze een forensisch arts police surgeon. Letterlijk vertaald: politie chirurg, dus ik dacht: misschien is die combinatie wat. Toen ik zag dat hierin veel te ontdekken en te ontwikkelen viel, besloot ik de overstap te maken.”

Wat doet hij?

Als forensisch arts is hij gemeentelijk lijkschouwer: hij wordt erbij gehaald als iemand ergens dood wordt gevonden en er geen behandelend arts beschikbaar is. Verder stelt hij sporen veilig bij verdachten en slachtoffers van geweld, mishandeling of een zedendelict: het sporenonderzoek. En hij doet een forensische lijkschouw als er een vermoeden is van een niet-natuurlijke dood: moord, doodslag, zelfdoding of een ongeval. Reijnders: “Is het pluis of niet pluis, dat is de vraag.” Ofwel: is de dood natuurlijk of niet en is een wond veroorzaakt door een ongeval of is het toegebracht? Ten slotte houdt hij zich bezig met ‘medische arrestantenzorg’. Reijnders: “‘Hij liep dronken over straat’, zegt de politie dan, ‘komt u even kijken?’ Maar het kan ook zijn dat die persoon een ‘ontregelde diabetes’ doormaakt of een hersenbloeding heeft.”

Krankzinnig

Reijnders heeft al zo veel gezien. Hij was betrokken bij de Bijlmerramp, de Volendamramp, de brand op Schiphol. “Je komt op de gekste plekken en maakt de meest krankzinnige dingen mee, ook op kleinere schaal. Een jonge vrouw werd in huis onwel. In de ambulance en later in het ziekenhuis nog werd ze gereanimeerd. Vergeefs, ze overleed. Ik kreeg een oproep. Het vreemde was dat het lichaam al stijf was toen ik na vier minuten arriveerde. Dat begint normaal op zijn vroegst pas na een half uur. De recherche vond in het huis behalve een stuk of tien katten, ook rattengif. Onderzoek van het lichaam wees uit dat iemand haar het gif had toegediend.”

Hoger plan

Reijnders is ook bezig de forensische wetenschap en opleiding naar een hoger plan te tillen. Toen hij begon was forensische geneeskunde nog geen vak op de universiteit. De huidige opleiding duurt maar 38 dagen; die wil hij uitbreiden. Een andere vurige wens van hem is dat in ziekenhuizen, verpleeghuizen en meldkamers van de GGD áltijd iemand aanwezig is met een forensisch verpleegkundige opleiding. “Want die kijkt met een andere blik.” Ook vindt hij dat iedereen onder de 45 jaar die plotseling komt te overlijden in Nederland, moet worden onderzocht door een forensisch arts: “In de meeste gevallen zal het een natuurlijke dood zijn, maar er zullen ook andere zaken aan het licht komen.”

Nieuwe technieken

“We werken met crimelights: lichtbronnen die sporen zoals letsels en sperma kunnen traceren. En we ontwikkelen steeds nieuwe technieken. Zo zijn we bezig met immunohistochemische technieken om de ouderdom van een schaafwond of blauwe plek preciezer te bepalen. Daarmee zijn we een van de eersten in de wereld. Het helpt politie en justitie misdrijven beter te beoordelen. Dat is natuurlijk heel leuk.” Reijnders glundert.

Zichtbaar

“Maar we zijn geen CSI-dokters hoor. Dat wat je op tv ziet, kan helemaal niet. Maar dit soort series heeft wel bijgedragen aan de zichtbaarheid van het vak.” Overigens heeft hij CSI maar één keer gezien. Dat was geen onverdeeld genoegen: “Ik brulde door de kamer: ‘Daar klopt geen zak van!’ Ik kan me dan niet inhouden.”