AMSTERDAM - Op de eerste zondag van de maand verzamelt opnieuw een groep van zo'n twintig natuurliefhebbers zich in het arboretum van De Nieuwe Ooster. De paden liggen er fris bij en het voorjaar laat zich nadrukkelijk zien begin april. Onder leiding van gids Hans vertrekt de groep voor een wandeling van twee uur, waarin bestuiving en voortplanting centraal staan.

Voorjaar en bestuiving

'Dit is echt de periode dat veel bomen in bloei staan', vertelt Hans. Bestuiving vormt de basis voor de vorming van vruchten en zaden. Dat proces verloopt op drie manieren: via insecten, via de wind of via zelfbestuiving.

Bij insectbestuiving spelen bijen en hommels een belangrijke rol. Zij zorgen voor de bestuiving van fruitbomen zoals appels, peren en kersen door stuifmeel van bloem naar bloem over te brengen terwijl ze nectar verzamelen. Veel loofbomen, zoals eik en berk, vertrouwen juist op de wind. Zij produceren licht stuifmeel dat gemakkelijk door de lucht verspreidt. Sommige soorten zijn zelfbestuivend en hebben geen andere boom nodig om vruchten te dragen.

Windbestuivers bloeien meestal eerder in het voorjaar dan bomen die afhankelijk zijn van insecten. Hans legt uit dat dit twee duidelijke redenen kent. Zolang er nog geen bladeren aan de bomen zitten, kan het stuifmeel zich vrij door de lucht verplaatsen. Tegelijk zijn insecten nog nauwelijks actief omdat het nog te koud is, terwijl de wind er al wel is.

Magnolia: bestuiving door kevers

De eerste boom waar de groep stil bij staat is de magnolia, ook wel beverboom genoemd. 'Dit is geen windbestuiver, maar een insectbestuiver', vertelt de gids. 'De magnolia geldt als een van de oudste bloeiende planten op aarde en ontstond in een tijd waarin bijen en vlinders nog niet bestonden. De boom richt zich daarom op kevers. Omdat kevers minder verfijnde bestuivers zijn, ontwikkelde de magnolia stevige, leerachtige bloembladeren die niet snel beschadigen.'

De bloei vindt plaats in april, precies op het moment dat de eerste insecten actief worden. Wind speelt bij deze soort slechts een beperkte rol.

Zilveresdoorn: tussen wind en insecten

De groep loopt verder naar de zilveresdoorn. Deze boom vormt een interessant voorbeeld van een soort die zich niet tot één strategie beperkt. Hij is in de eerste plaats een windbestuiver, maar trekt ook insecten aan. De zilveresdoorn bloeit al vroeg in het jaar, vaak in februari of maart. De bloemen verschijnen in kleine trosjes op kale takken, nog voordat het blad uitloopt. Daardoor kan het stuifmeel zich ongehinderd door de lucht verspreiden.

Eik en verspreiding via dieren

Verderop in het arboretum verschuift de aandacht van bestuiving naar verspreiding. Bij de eik spelen dieren een cruciale rol. Eikels zijn te zwaar om door de wind te worden verspreid en groeien slecht onder het bladerdak van de moederboom.

Daarom vertrouwt de eik op dieren die eikels verzamelen als wintervoorraad. Vlaamse gaaien vormen de belangrijkste verspreiders. Zij verzamelen duizenden eikels en verstoppen deze soms kilometers verderop. Een deel van die voorraad raakt vergeten, waardoor nieuwe eiken kunnen ontkiemen. Ook eekhoorns en muizen dragen bij door eikels te begraven of mee te nemen naar schuilplekken.

Vroege bloeiers op de bosbodem

Onder de bomen vallen de lenteklokjes op. Deze vroege bloeiers maken gebruik van een slimme timing. In het vroege voorjaar, wanneer de bomen nog kaal zijn, bereikt veel zonlicht de bodem. In die korte periode groeien en bloeien de planten en slaan ze energie op. Eerder in het seizoen bloeiden hier ook sneeuwklokjes. Zodra de bomen in blad komen, verdwijnt het zonlicht en trekken de planten zich weer terug.

Prieeliep en pimpernoot

De wandeling gaat verder langs de prieeliep, een karakteristieke treurboom met een dichte, parapluvormige kroon. Even verderop staat de groep stil bij de pimpernoot. Deze struik komt in Nederland relatief weinig voor, maar groeit vaker in België en Duitsland. In mei en juni verschijnen hangende trossen met witte, klokvormige bloemen die een duidelijke geur verspreiden.

Berk en haagbeuk

Bij de berk legt Hans uit dat deze boom zowel windbestuiver als windverspreider is. De boom gebruikt de wind niet alleen voor bestuiving, maar ook voor het verspreiden van zaden. Even verderop staat de haagbeuk. 'Ook dit is een windbestuiver', vertelt de gids.

In het voorjaar verschijnen hangende katjes, waarbij de wind het stuifmeel van de mannelijke naar de vrouwelijke bloemen brengt. De haagbeuk produceert veel pollen, al veroorzaakt hij minder hooikoortsklachten dan de berk.

Verschillende bomen

Bij de suikerberk trekt een van de deelnemers een stukje twijg los. Direct komt een sterke geur vrij die doet denken aan hoestdrank. Hans legt uit dat dit komt door de stof methylsalicylaat in het sap. Deze Noord-Amerikaanse soort wijkt op meerdere punten af van de Europese berken.

De groep wandelt verder naar de oranjekers, die bekend staat om zijn lange, hangende trossen met oranje-rode bessen. Opvallend is dat de bessen nog steeds aan de boom hangen. 'Niet populair bij de vogels', merkt deelnemer Linda op.

Langs het pad staat een nootkacipres, een conifeer uit de kustregio's van Noord-Amerika. De boom valt op door zijn sierlijk hangende takken. Even verderop staat een broodboomstruik, een wintergroene struik met gespikkelde bladeren en rode bessen.

De forsythia, ook wel Chinees klokje genoemd, laat zich zien als een van de bekendste vroege voorjaarsbloeiers. De gele bloemen verschijnen op het kale hout, nog voordat het blad zich ontwikkelt.

Es als buitenbeentje

Aan het einde van de wandeling staat de groep stil bij de es. Deze boom is een windbestuiver, maar kent een bijzondere variatie. Binnen één populatie komen mannelijke, vrouwelijke en tweeslachtige bomen voor. Sommige bomen produceren alleen stuifmeel, andere alleen zaden, terwijl weer andere beide functies combineren.

Twee uur tussen de bomen

Na een uitgebreide ronde door het arboretum komt de groep weer samen bij het beginpunt. Twee uur lang draaide de wandeling om bloei, bestuiving en verspreiding. Op deze eerste paasdag laat het voorjaar zich van dichtbij zien, met een grote variatie aan vormen en strategieën die zich in het arboretum ontvouwen.