‘‘Hoort u dat echt niet?’ De vrouw steekt haar vinger op en begint een Sinterklaasliedje te neuriën, onderwijl met haar vinger meebewegend op de muziek. Mijn collega en ik kijken elkaar enigszins verbaasd aan. Naast het geneurie van de vrouw is het doodstil.’ 

Het is een koude gure avond rond Sinterklaas. De meldkamer stuurt mij samen met mijn collega naar een woning in Aalsmeer voor een melding van geluidsoverlast. Als extra informatie krijgen we mee dat de meldster vaker melding maakte van geluidsoverlast, maar dat er tot nu toe telkens geen sprake was van geluidshinder op het moment er collega’s waren.

Mijn collega en ik rijden naar het adres toe en wij parkeren onze auto om de hoek, zodat de eventuele herriemaker ons niet kan zien aankomen. We lopen naar de woning. Zowel op straat als in de nabije woningen is het stil. Omdat wij geen harde geluiden horen, bellen we aan bij de meldster. Een goed verzorgde dame op leeftijd doet de deur voor ons open.

De vrouw begint direct te vertellen over haar buren. ‘Al de hele dag zijn ze bezig met muziek afspelen. Het begon vanochtend vroeg en ik ben het helemaal zat.’ Ik vraag aan de vrouw wanneer de buren dan gestopt zijn met de muziek. ‘Gestopt?! Ze zijn nu nog steeds bezig! Hoort u dat niet dan? Hoor maar!’ Mijn collega en ik houden ons stil en luisteren nogmaals gespannen. Het is echter nog steeds doodstil.

Mijn collega vraagt aan de vrouw wat zij dan precies hoort. ‘Nou, hoort u dat echt niet?’ De vrouw steekt haar vinger op en begint een Sinterklaasliedje te neuriën, onderwijl met haar vinger meebewegend op de muziek. Mijn collega en ik kijken elkaar enigszins verbaasd aan. Naast het geneurie van de vrouw is het doodstil. We vertellen de vrouw dat wij niets horen. ‘Maar ik hoor het echt!’, zegt ze met enigszins paniek in haar stem. ‘Dan hebben ze het geluid net snel uitgezet. Dan doen ze altijd als jullie komen. Jullie geloven mij zeker ook niet.’

Het begint me te dagen wat er aan de hand kan zijn. Ik kalmeer haar en zeg dat we wel geloven dat ze de muziek hoort. Ik vertel dat zowel mijn collega als ik de muziek niet horen. Dat wij met opzet de auto om de hoek hebben neergezet, zodat men de muziek niet uit zou doen. Ik vraag haar of zij in het verleden wel eens vaker heeft gehad dat zij dingen hoort die andere mensen niet horen. Hierop begint de vrouw te huilen.

Ze nodigt ons binnen uit. De woning ziet er netjes uit en terwijl wij plaatsnemen op een van de stoelen vertelt de vrouw ons snikkend dat zij vroeger ook wel last had van geluiden die anderen niet konden horen en dat zij hiervoor ook opgenomen is geweest in een psychiatrische inrichting. Ze zegt het vervelend te vinden dat ze ons hiervoor heeft gebeld en zich enorm schaamt, maar dat ze echt helemaal gek wordt van de muziek.

Mijn collega en ik stellen de vrouw gerust. Ik zeg haar dat ik mij kan voorstellen dat het heel beangstigend moet zijn om geluiden te horen die andere mensen niet horen. En dat het helemaal niet erg is dat zij ons hiervoor heeft gebeld. We kunnen op dit moment weinig voor haar doen en ik adviseer haar de volgende dag contact te zoeken met haar huisarts voor de juiste hulp. De vrouw heeft een dochter, die ze in ons bijzijn belt. Zij komt naar haar moeder toe, zodat ze een oogje in het zeil kan houden totdat andere hulp is geregeld.

Een week later ga ik nog een keer bij de vrouw langs om te kijken hoe het met haar gaat. Ze vertelt dat ze inderdaad bij de huisarts is geweest en ze heeft medicijnen voorgeschreven gekregen. De muziek hoort ze niet meer.

We hebben van haar geen meldingen van geluidsoverlast meer gehad.