Vraag een Ajax-supporter wat ‘Ajax-voetbal’ is, en je krijgt een bijna poëtisch antwoord. Het is positiespel, dominantie, techniek. Het is een voetbaltaal die generaties verbindt. De erelijsten op TopscorerVoetbal.nl werden steevast aangevoerd door Ajax. Maar wie vandaag negentig minuten Ajax kijkt, moet eerlijk toegeven: hoe vaak herken je dat ideaalbeeld nog op het veld?
‘Ajax-voetbal’ was altijd een manier van kijken naar voetbal. Het was een overtuiging dat je de tegenstander kon beheersen door ruimte, techniek en intelligentie. Dat je met lef en durf kon winnen. Die gedachte werd wereldberoemd onder Rinus Michels en Johan Cruijff, en kreeg later moderne vormen onder Van Gaal en Erik ten Hag. Het is een referentiepunt in interviews, een nostalgische echo in discussies onder supporters.
Maar de vraag dringt zich op: is ‘Ajax-voetbal’ vandaag nog een herkenbare speelstijl, of is het verworden tot een marketinglabel dat vooral verwijst naar een verleden dat steeds verder weg lijkt?
Van speelwijze naar identiteit
Oorspronkelijk was ‘Ajax-voetbal’ heel concreet. Het ging over veldbezetting, driehoeken, diepte, positiewisselingen, hoge druk, opbouw van achteruit. Over het geloof dat je het spel dicteert, niet ondergaat. Het was zichtbaar, tastbaar, meetbaar.
Gaandeweg werd het meer dan dat. Het werd een identiteit. Een moreel kompas. Ajax moest niet alleen winnen, Ajax moest winnen op een bepaalde manier. Dat idee werd zo sterk dat het bijna los kwam te staan van de realiteit op het veld. Wanneer Ajax slecht speelde, was de kritiek zelden alleen dat er verloren werd. De kritiek was: dit is geen Ajax-voetbal.
De erfenis van 2019
De Champions League-campagne van 2018-2019 voelde voor veel supporters als een reïncarnatie van dat ideaal. Jong, brutaal, technisch verfijnd, tactisch intelligent. De overwinningen op Real Madrid en Juventus waren niet alleen sportieve prestaties, maar ook een flashback naar vroeger. Europa zag weer wat ‘Ajax-voetbal’ kon zijn.
Maar die periode had meteen een schaduwzijde: ze legde de lat zó hoog dat alles wat daarna kwam automatisch tekortschoot. Sinds het vertrek van Ten Hag en de topscorers is de ploeg in een zoektocht beland. Trainers wisselden, spelers kwamen en gingen, en de speelstijl werd pragmatischer. Soms rommeliger. Soms gewoon onherkenbaar. Telkens klonk dezelfde verzuchting: waar is het Ajax-voetbal gebleven?
De realiteit van het moderne voetbal
Een deel van het antwoord ligt in de evolutie van het voetbal zelf. Ajax is financieel geen Europese topclub meer, maar een opleidingsclub die constant moet verkopen. Dat heeft flink wat gevolgen. Wanneer je elk jaar je beste spelers verliest, wordt continuïteit een stuk moeilijker. Positiespel vraagt automatisme, vertrouwen en stabiliteit. Dat bouw je niet op met een elftal dat elk seizoen op vijf of zes plekken verandert.
Daar komt bij dat de Eredivisie zelf is veranderd. Veel ploegen zakken in, laten Ajax de bal en wachten op fouten. Dat vraagt soms om geduld, soms om fysieke kracht, soms om opportunisme. Niet altijd om het romantische combinatievoetbal dat bij het woord ‘Ajax-voetbal’ hoort.
Marketing en mythes
Toch leeft 'Ajax-voetbal' volop voort buiten het veld. In clubpresentaties. In documentaires. In interviews met oud-spelers. In het imago dat Ajax wereldwijd verkoopt: de club van de jeugd, de techniek en het aanvallende spel. Dat is geen toeval. Ajax is een sterk merk. Een merk dat talent aantrekt. Maar hoe sterker dat merk wordt, hoe groter het risico dat het niet aan zijn imago kan voldoen. Het begrip wordt dan een soort mythe waarnaar verwezen wordt, zonder dat het nog consequent zichtbaar is in wat er op zaterdag of zondag op het veld gebeurt.
Een ander probleem is dat ‘Ajax-voetbal’ vaak wordt gemeten aan de hand van herinneringen. Cruijff. Van Basten. Bergkamp. De jaren negentig. Dat zijn piekmomenten. Maar pieken zijn per definitie uitzonderingen, geen constante.
Supporters vergelijken het huidige Ajax niet met het Ajax van vijf jaar geleden, maar met het Ajax van de mooiste momenten uit de clubgeschiedenis. Dat maakt de kloof tussen verwachting en realiteit bijna onoverbrugbaar.
Wat blijft er dan nog over?
Het is te makkelijk om te zeggen dat ‘Ajax-voetbal’ niet meer bestaat. Je ziet het nog in kleine dingen. In de keuze om talenten kansen te geven. In de nadruk op techniek in de jeugdopleiding. In het idee dat de bal centraal staat in training en spelopvatting. In het verlangen om van achteruit op te bouwen, zelfs als dat soms fout gaat.
Misschien is ‘Ajax-voetbal’ vandaag minder een strak gedefinieerde speelstijl, maar meer een onderliggende intentie. Een richting waarin men wíl denken. Het zit minder in perfecte driehoeken en meer in de overtuiging dat voetbal gespeeld moet worden, niet overleefd.
Misschien moeten we de vraag omdraaien. Niet: bestaat Ajax-voetbal nog? Maar: kan Ajax het zich permitteren om níét naar dat ideaal te streven? Zonder dat kompas verliest Ajax iets fundamenteels. Dan wordt het een club als vele anderen, afhankelijk van resultaten en toevallige generaties. ‘Ajax-voetbal’ is misschien minder zichtbaar dan vroeger, maar het blijft de maatstaf waaraan alles wordt getoetst.

5.7 ℃








































