UTRECHT - Het UMC Utrecht en het samenwerkingsverband tussen het Amsterdam UMC en het Leids Universitair Medisch Centrum, CAHAL, mogen doorgaan met het uitvoeren van operaties bij kinderen met een aangeboren hartafwijking en hoogcomplexe operaties bij volwassenen met een aangeboren hartafwijking. Dat oordeelt de rechtbank Midden-Nederland in een zaak over de toekomst van kinderhartchirurgie.


Beslissing minister

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besliste in april 2023, na een lange procedure, dat deze specialistische zorg op twee locaties geconcentreerd moet worden en koos uiteindelijk voor de zogenoemde interventiecentra van het UMC Groningen en het Erasmus MC in Rotterdam. De bestaande centra in Utrecht en Leiden-Amsterdam moeten deze zorg in 2,5 jaar afbouwen. Zij waren het niet eens met deze uitkomst en vroegen de bestuursrechter een oordeel te geven over het besluit van de minister. De rechter zag afgelopen zomer in een spoedprocedure geen reden om het concentratieproces te pauzeren, maar de rechtbank ziet die reden nu in de bodemprocedure wél.


Keuze met grote gevolgen

De beroepsgroep is het erover eens dat het voor de continuïteit en kwaliteit van de zorg nodig is om de kinderhartcentra op minder plekken in het land te concentreren. De discussie in deze zaak gaat over hoeveel ziekenhuizen een kinderhartcentrum kunnen hebben, welke ziekenhuizen dat zijn en wanneer de concentratie plaats moet vinden. Dat is een medisch-inhoudelijke discussie, maar ook een politiek-bestuurlijke en een juridische. De rechtbank wijst erop dat de minister met een keuze voor twee interventiecentra een verregaande keuze heeft gemaakt, die diep en onomkeerbaar ingrijpt in de organisatie van hartchirurgie voor kinderen met een aangeboren hartafwijking. De minister mag op grond van de wet zo’n keuze maken, maar die moet dan wel zorgvuldig gemotiveerd en feitelijk onderbouwd zijn. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister dit onvoldoende heeft gedaan.


Wetenschappelijke statistiek

De minister vindt dat een academisch ziekenhuis op jaarbasis ten minste 60 operaties bij pasgeborenen tot 30 dagen oud moet verrichten om de kwaliteit van deze zorg te kunnen waarborgen. Dit was een belangrijke reden om te kiezen voor concentratie bij twee en niet bij drie centra. De 60 jaarlijkse operaties zijn gebaseerd op een wetenschappelijk artikel uit 2018, over het risico op overlijden bij hartchirurgie bij pasgeborenen. Eén van de auteurs van het artikel – een kinderhartchirurg – heeft in een brief aan de minister echter laten weten dat het getal van 60 weliswaar in het artikel wordt genoemd, maar niet kan worden gebruikt als wetenschappelijk minimum dat nodig is om de kwaliteit van de operaties te waarborgen. Later hebben ook de overige auteurs bij de minister hun bezorgdheid uitgesproken over het foutieve gebruik van de cijfers uit hun artikel. De rechtbank vindt dat de minister daarom niet zomaar had mogen vasthouden aan de norm van 60 operaties per jaar per centrum. Hij had twijfels moeten krijgen en had ook nader onderzoek moeten laten verrichten.

Impasse

Er zijn ook terechte zorgen over de bredere gevolgen en neveneffecten van de concentratie van de kinderhartchirurgie naar twee locaties. De kennis en ervaring van zorgpersoneel op het gebied van aangeboren hartafwijkingen bij kinderen wordt namelijk ook ingezet voor andere ziekenhuiszorg. Het gaat dan bijvoorbeeld om specialistische ingrepen bij kinderen met kanker of over het voortbestaan van de kinder-intensive care. De rechtbank begrijpt dat de minister een knoop wilde doorhakken toen bleek dat de betrokken academische ziekenhuizen geen overeenstemming over concentratie bereikten en er een impasse dreigde. Toch had de minister volgens de rechtbank eerst beter naar de bredere gevolgen van de concentratie moeten kijken. Dat heeft de Nederlandse Zorgautoriteit ook geadviseerd.


Haalbaarheid

De rechtbank is ook van oordeel dat de minister zich een beter beeld had moeten vormen over de haalbaarheid van de concentratie binnen de gestelde periode. Vooral de vraag of binnen 2,5 jaar voldoende verpleegkundig personeel kan worden aangetrokken door de twee aangewezen centra speelt hierbij een grote rol. Die zorgen spelen vooral bij het UMC Groningen. De rechtbank begrijpt goed dat de minister de kinderhartzorg in Noord-Nederland vanwege de regionale functie wil behouden, maar tegelijkertijd had hij gelet op de bestaande zorgen beter moeten onderzoeken of het behouden van drie centra tóch beter is dan twee.

Door de uitspraak van de rechtbank geldt nu weer de oude situatie, waarin de vijf academische ziekenhuizen allemaal de hartchirurgie bij aangeboren hartafwijkingen mogen blijven verrichten. Het is aan de minister om te kiezen of en hoe het concentratieproces verder vorm moet krijgen.