AMSTERDAM - In deze week van de kortste dag gaan de straatlantaarns om 16:31 uur aan. We weten dan niet alleen hoe laat het is, maar aan de vormgeving van de lichtarmatuur is ook de periode van de wijk waar de lantaarn staat af te lezen. Met de verschillende uitbreidingen van de stad veranderde ook de vormgeving van de straatverlichting. Monumenten en Archeologie adviseert bij de herinrichting van straten in welke delen van de stad de juiste verlichting thuishoort.

Van Van der Heydenlantaarn tot Ritterlantaarn

Tot het midden van de 17de eeuw kende Amsterdam geen echte stadsverlichting, alleen de verplichting in 1505 dat burgers ‘s avonds een lantaarn bij zich moesten dragen. Dit veranderde in 1669, toen de vroedschap de stadslantaarn van Jan van der Heyden introduceerde. De lantaarn van Van der Heyden die op olie brandde stond op een houten paal of muurarm en verspreide langer en beter licht dan de gebruikelijke kaarsverlichting. Met de introductie van het gas gaf de gemeente de verantwoordelijkheid voor de verlichting aan particuliere gasmaatschappijen. De Imperial Continental Gas Association kreeg in 1883 een exclusief contract. Deze zette in de binnenstad en in de nieuw wijken buiten de Singelgracht nieuwe, met loofwerk versierde, lantaarnpalen neer. Ze waren eerst voorzien van een vierkante kroonlantaarn. Door een conflict met de gasmaatschappij, nam de gemeente in 1898 de gasproductie weer in eigen hand en kwam toen ook met een eigen armatuur, de Ritterlantaarn.

Ode aan de gloeilamp

Toen de gemeente begin twintigste eeuw startte met nieuwe stadsuitbreidingen werd er nog gebruik gemaakt van de oude armaturen. Pas in 1924 ontwierp P.L. Marnette, ontwerper bij de Dienst der Publieke Werken, een nieuwe lantaarnpaal met een open armatuur. Deze nieuwe armatuur paste beter bij de Amsterdamse School-wijken. Vanaf 1917 ging de gemeente over op elektriciteit en gebruikte nu dus gloeilampen voor de verlichting. Het 50-jarig bestaan van de gloeilamp was voor de gemeente aanleiding om de Edison Lichtweek te organiseren, genoemd naar de uitvinder. Op het programma stonden zwemdemonstraties met onderwaterbelichting, een verlichte autocorso en het kunstzinnig aanlichten van bijzondere gebouwen. Daarmee leek het op een vroege voorloper van het Amsterdam Light Festival. In 1953 werd de kwetsbare, open lichtkap van 1924 vervangen door de gesloten Holbeinarmatuur. Voor de verlichting van de grote stadstraten zouden de hoge Apollo-lantaarns dienst doen.

Voor elke locatie een eigen lichtplan

Voor de naoorlogse wijken ontwierp Friso Kramer in 1971 een ranke, gestroomlijnde lantaarnpaal. Die was zo succesvol dat deze in vele varianten steeds weer nieuw aangelegde straten verlicht, ook buiten Amsterdam. Alleen in bijzondere gevallen worden speciaal ontworpen lampen opgehangen zoals bij De Rode Loper op het Damrak en het Rokin. De gloeilamp is vandaag de dag vrijwel overal vervangen door LED verlichting en steeds vaker uitgerust met sensoren. Begin 2017 bespreekt de gemeenteraad het nieuwe Beleidskader VerlichtingEen belangrijk doel van dit kader is om de komende jaren met nieuwe technieken in te spelen op wat de omgeving nodig heeft op een bepaalde locatie. Verlichting van elke locatie, variërend van buurtstraat tot natuurzone, zal in combinatie met het aanwezige licht van winkels en aanlichting van gebouwen afgestemd worden op de gewenste sfeer. De vormgeving van de lantaarnpalen draagt aan het bepalen van die sfeer natuurlijk belangrijk bij.