AMSTERDAM - Precies 320 jaar geleden kwam de Russische tsaar Peter de Grote naar de Lage Landen. Hij wilde er onopvallend en vrij rond bewegen om, incognito, de scheepsbouw te bestuderen en was in eerste instantie naar Zaandam gereisd. Maar de Zaanse royaltywatchers waren in de 17de eeuw al actief en de vorst vond niet de rust die hij wenste. Burgemeester Witsen zorgde ervoor dat Peter de Grote terecht kon in Amsterdam. Uiteindelijk belandde hij op Oostenburg. Hier was de grote werf van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) gevestigd, een uitstekende plek voor de tsaar om veel te leren en ongestoord te kunnen werken.

Pieterbaas in Amsterdam

Terwijl de Zaandammers zich bezig hielden met het nieuws dat Peter de Grote zich in hun stad had geïnstalleerd bracht de tsaar, in gezelschap van een hoog Russisch gezantschap, een bezoek aan Amsterdam. Hij vertelde burgemeester Nicolaas Witsen over de problemen in Zaandam die hij ondanks zijn korte verblijf al had ervaren. Hij kon er amper aan de slag vanwege alle commotie. De burgemeester bood hem de helpende hand en regelde dat Peter de Grote een werkplek kreeg op de Amsterdamse werf van de VOC. De betreffende werf lag op Oostenburg en was goed afgeschermd. Op 30 augustus 1697, dezelfde ochtend nadat hij te horen kreeg dat hij welkom was in Amsterdam, begon Peter De Grote met zijn werkbezoek. Dit duurde vier maanden lang, onder leiding van scheepstimmerman Gerrit Claesz Pool (1651-1710). De tsaar werkte aan het fregat Peter en Paul, dat op 15 januari 1698 te water werd gelaten. Deze feestelijke tewaterlating was tevens de afsluiting van zijn ‘stage’ waarbij de tsaar een getuigschrift van zijn leermeester ontving. Hierin beschreef Claesz Pool zijn verworven vakmanschap en prees hij de tsaar’s ijver en werklust. Bovendien stelde de tsaar zich bescheiden op: hij wenste alleen aangesproken te worden als Pieter of Pieterbaas.

Bijzondere werf op bijzonder eiland

Oostenburg was in 1660 met stadsafval en opgebaggerde grond opgeworpen langs de IJ-oever. Oostenburg bestond uit vijf deeleilanden, vier achter elkaar en één flankerend aan de oostzijde. Het eerste eiland vanaf de Nieuwe Vaart (zuidzijde) was gereserveerd voor woningbouw, particuliere bedrijfsgebouwen en de stadsschuitenmakerswerf. Een brug aan het einde van de Oostenburgermiddenstraat leidde naar het tweede eiland, dat de ingang vormde tot de VOC-werf. Dit eiland werd volledig in beslag genomen door het centrale pakhuis van de VOC, het imposante Zeemagazijn. Dit gebouw, ook wel het Oost-Indisch Buitenhuis genoemd, vormde een schakel tussen Amsterdam en Azië. Zo verliep de bevoorrading vanuit de stad van de uitgaande VOC-schepen via het Zeemagazijn en was dit de plek waar de uit Azië mee teruggebrachte handelswaar zoals porselein en specerijen werd opgeslagen in afwachting van verdere verspreiding. Het derde eiland was ingericht met gespecialiseerde werkplaatsen. Het vierde eiland, aan de oever van het IJ, was het eigenlijke scheepsbouwterrein met een aantal bedrijfsgebouwen, waaronder een smederij en een apotheek, en drie hellingen, waar vanaf 1663 binnen anderhalve eeuw in totaal 509 schepen van stapel liepen. Het vijfde langwerpige eiland flankeerde de eerste vier aan de oostkant en werd ingericht met de lijnbanen van de VOC en de Admiraliteit.

Leren van de VOC

De plek waar de tsaar ogenschijnlijk toevallig terecht kwam was er niet zomaar een: de VOC-werf was één van de op dat moment meest geavanceerde scheepswerven van de wereld. Verschillende archeologische opgravingen in de laatste jaren hebben nieuwe gegevens opgeleverd over de inrichting en faciliteiten van Oostenburg en de innovatieve en planmatige wijze waarop de VOC dit heeft aangepakt. De scheepshellingen die de tsaar had gezien in Zaandam bestonden uit traditionele constructies van planken vloeren op een aflopend kleitalud. Door verzakking moesten deze regelmatig worden vervangen. De VOC koos op Oostenburg voor duurzaamheid door te investeren in een zware fundering, bestaande uit een horizontaal beukenhouten plankier van 60 x 12 m op zwaar onderheide grenen leggers. Op deze horizontale houtconstructie lag een schuin kleitalud met daarop de feitelijke werkvloer waarop de Oost-Indiëvaarders werden gebouwd. Voor de aanleg van de hellingen en de fundering van de gebouwen heeft de VOC op grote schaal nieuw hout ingekocht, zo blijkt uit de middels dendrochronologie vastgestelde dateringen van de bouwelementen. Het uit Zuid Duitsland en Zweden afkomstige hout was allemaal gekapt in de tweede helft van de jaren 1650 en was na aankomst in Amsterdam direct beschikbaar voor gebruik op Oostenburg. Een mooie les in innovatie met simpele middelen, namelijk hout en aarde, waar we vandaag de dag nog wat aan hebben. Het maakt het hoofdstuk van de geschiedenis van Oostenburg interessanter en completer. Straks start een nieuwe episode van Oostenburg, waar dan vorstelijk gewoond kan worden.

Erfgoed van de Week

In de rubriek Erfgoed van de Week staat elke week een bijzondere archeologische vondst, vindplaats, voorwerp, monumentaal gebouw of historische plek in de stad centraal. Via de website amsterdam.nl/erfgoed, Twitter @erfgoed020 en Facebook Monumenten en Archeologie delen de erfgoedexperts van Monumenten en Archeologie het erfgoed van de stad met Amsterdammers én overige geïnteresseerden.