AMSTERDAM - Dit jaar is het 130 jaar geleden dat het Koninklijk Nederlandsch Circus Oscar Carré zijn deuren voor het publiek opende. Dit jubileum wordt van 10 maart tot en met 11 juni in de Schatkamer van het Stadsarchief Amsterdam getoond. Uit het omvangrijke archief van Carré zullen de mooiste en interessantste stukken te zien zijn. Bijzondere foto’s van variété- en circusartiesten, portretten van Carré’s lievelingspaarden, programma’s, affiches, plakboeken en andere memorabilia brengen de geschiedenis van Nederlands fameuste theater tot leven.

Reizend gezelschap in houten onderkomens

Sinds het einde van de 18de eeuw trok de familie Carré met hun circus door Europa. In 1864 stond Circus Wilhelm Carré voor het eerst in Amsterdam tijdens de septemberkermis op het Amstelveld. Zijn kunstrijdersgezelschap van 120 mensen en tachtig paarden verzorgden een avond vol 'Parijssche quadrillen, groote steeple chase manoeuvres, pantomimen te voet en te paard, gymnastische en acrobatische werkzaamheden'. In de jaren daarna keerde het circus regelmatig terug met houten tenten op wisselende locaties in de stad, waaronder in 1866 tegenover het Wertheimpark en in 1874 in de tuin van het Paleis voor Volksvlijt. In de circuswereld was het gebruikelijk om ’s zomers rond te trekken en tot in de verste uithoeken van Europa voorstellingen te geven, en ’s winters als het moeilijk reizen was op een vaste plek op te treden. Circusprogramma’s bestonden vooral uit paardendressuur en hoge schoolrijden (zonder zadel of toom), dierendressuur, acrobatiek en pantomime, en als dat even kon nog het liefst gecombineerd in één nummer. In 1870 kreeg Oscar Carré, die in 1868 de leiding van het circus had overgenomen, na zijn optreden op Paleis Het Loo van een dolenthousiaste koning Willem III het voorrecht om Koninklijk toe te voegen aan de circusnaam. In 1879 liet Oscar Carré een rijk gestoffeerd en gedecoreerd, rond houten circusgebouw optrekken aan de Amstel. Hoe fraai alles er ook uit zag, de gemeente was niet erg blij met deze, in kaarslichttijd, uiterst brandgevaarlijke constructie. Carré wist sloop nog enkele jaren te rekken door voor de houten tent een stenen bouwdeel te plaatsen met foyers en restaurants.

Stenen circustent aan de Amstel

In 1885 werden de nieuwbouwplannen voor het huidige gebouw ingediend, naar ontwerp van de architecten J.P.F. van Rossem en W.J. Vuyk en met aanwijzingen van de opdrachtgever. Oscar Carré had, in 1878, in Keulen al een circustheater laten bouwen en dat vertoonde in de opzet veel gelijkenis met de nieuwbouw aan de Amstel. De brochure waarmee Oscar Carré investeerders enthousiast probeerde te maken is te zien in het Stadsarchief. Op 2 december 1887 stroomden autoriteiten en genodigden het nieuwe, stenen circustheater aan de Amstel binnen. Een dag later opende het Koninklijk Nederlandsch Circus Oscar Carré zijn deuren voor het publiek met een 'Groote Parade Gala Openingsvoorstelling, in de Hoogere Rijkunst, Paardendressuur en Gymnastiek'. Opmerkelijk aan het ontwerp zijn de combinatie van een circuspiste met een theaterpodium, de hoefijzervormige stoelplaatsing rond de piste en de amfitheatergewijze opbouw van de zaal. Deze opbouw was nodig om aan de eis van tweeduizend zitplaatsen op het kleine stuk grond te voldoen. De piste kon, via een verbinding met de Onbekendegracht, zelfs onder water worden gezet. Hoog hierboven was de, oorspronkelijk open, kapconstructie met een ongekende spanwijdte van 37 meter, zonder steunpunt in de zaal. Zo belemmerde niets de acrobatiek van de trapezewerkers, of het zicht van de toeschouwers. De houtkleurige en groene afwerking van de omtimmerde spanten, in combinatie met de groene bespanningen met fel gekleurde banden daartussen, hield de herinnering levend aan het oorspronkelijke ‘tentdak’. Deze ‘circustent’ verdween in 1919 uit het zicht door het aanbrengen van een verlaagd stucplafond in de zaal om de akoestiek te verbeteren en de winterkou tegen te gaan.

Zeldzaam overblijfsel van 19de-eeuwse uitgaanscultuur

Onder regie van Greiner Van Goor Architecten werd begin jaren '90 de toneeltoren aan de Onbekendegracht, met paardenstallen op de begane grond en kleedkamers daarboven, gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Ook werd de toneelopening vergroot, waarbij de opzet en vormgeving van de oorspronkelijke wand min of meer werd nagevolgd. In 2004 werd de ingrijpende, tweede fase opgeleverd, waarbij onder andere in de ruimte onder het gebogen dak een foyer werd gerealiseerd met schitterend uitzicht over Amstelrivier en stad. Tijdens de werkzaamheden werden fragmenten van de oorspronkelijke, bonte afwerking teruggevonden, zoals bespanning met medaillons van in exotische kostuums gehulde vrouwen uit omstreeks 1892, onder barokke cartouches met putti die niet lang daarna waren aangebracht. Was het circustheater bij de opening in 1887 één van de vele stenen exemplaren die in vrijwel alle grotere Europese steden te vinden waren, tegenwoordig is Carré een zeldzaam overblijfsel van een verdwenen 19de-eeuwse uitgaanscultuur. De combinatie van piste en podium heeft daar waarschijnlijk aan bijgedragen door in het voorjaar en de zomer, als het circus op reis was, ruimte te bieden aan een zeer gevarieerde programmering. Met paarden die uit de gevel springen, zuilen en pilasters met danseressenkopjes, rijzwepen en stijgbeugels in het stucwerk, en door clowns- en narrenkoppen gesierde consoles herinnert de façade nog steeds aan de rijke geschiedenis van dit theater.