AMSTERDAM - Een 17-jarige jongen is veroordeeld voor het medeplegen van het laten ontploffen van een explosief bij een kantoorgebouw op de Strawinskylaan in Amsterdam-Zuid. Ook is hij veroordeeld voor openlijk geweld tegen de politie bij een grote demonstratie. De rechtbank veroordeelt de jongen tot jeugddetentie voor de duur van 165 dagen, waarvan 122 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest. De tijd dat hij in voorarrest zat is daarmee gelijk aan de onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank legt ook bijzondere voorwaarden op. Zo moet de jongen meewerken aan hulpverlening, zich houden aan een avondklok en naar school en stage gaan.

Op 16 maart 2026 vond er een explosie plaats bij het kantoorgebouw Atrium op de Strawinskylaan in Amsterdam-Zuid. Bij de ingang was een Cobra in combinatie met meerdere flessen brandbare vloeistof aangestoken. Het gebouw raakte daardoor beschadigd.

Maatschappelijke onrust

Op basis van de bewijsmiddelen oordeelt de rechtbank dat de 17-jarige samen met anderen verantwoordelijk is voor deze explosie. Explosies met geïmproviseerde explosieven veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. In dit geval vond de veroorzaakte explosie plaats in een periode waarin er veel maatschappelijke onrust was vanwege het grote aantal explosies bij bepaalde instellingen en waarbij er grote zorgen waren over hun eventuele onderlinge verband en het achterliggende motief. Bij deze explosie ontstond alleen materiele schade, het had veel erger kunnen afgelopen. De jongen heeft met het idee snel geld te willen verdienen een heel verkeerde keuze gemaakt, waarvoor de rechtbank hem verantwoordelijk houdt.

De jongen wordt ook veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen de politie bij een grote demonstratie tegen de komst van een asielzoekerscentrum op 14 oktober 2025 in Uithoorn. Hij gooide samen met anderen een houten balk richting de politie en bekogelde bussen.

Straf

Vanwege de ernst van de gepleegde strafbare feiten is jeugddetentie de enige passende reactie. De rechtbank ziet in de strafoplegging in vergelijkbare zaken aanleiding om de door de officier van justitie geformuleerde strafeis te matigen. Ook vermindert de rechtbank de straf met 15 dagen omdat het contact tussen de minderjarige jongen en zijn moeder onrechtmatig is beperkt. Dit is in strijd met Rechten van het Kind. Omdat uit het gedrag van de jongen blijkt dat hij zich tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis aan alle voorwaarden heeft gehouden, vindt de rechtbank het niet wenselijk dat hij opnieuw vast komt te zitten. De detentie zou de ingezette positieve ontwikkeling doorkruisen.

De rechtbank legt de jongen daarom een jeugddetentie op voor de duur van 165 dagen, waarvan 122 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest. De tijd dat hij in voorarrest zat is daarmee gelijk aan de onvoorwaardelijke jeugddetentie.

Omdat de jongen beïnvloedbaar is en een cannabisverslaving heeft, legt de rechtbank bijzondere voorwaarden op. Zo moet hij naar school en stage gaan volgens het rooster, zich tot 20 oktober 2026 houden aan een avondklok en meewerken aan hulpverlening. Als hij onvoldoende aan deze voorwaarden meewerkt, komt hij weer vast te zitten.